Een acteur in zijn eigen leven

Eriek Verpale

 Hommage Eriek Verpale, uitgesproken in de Minard Schouwburg, Gent, 2 februari 2016.

In 1990 begon ik als medewerker bij dagblad De Gentenaar.

Het journalistieke domein dat de hoofdredactie mij toevertrouwd had, strekte zich ver uit, in alle richtingen. Behalve lokale sporthelden, zingende kappers en allerlei jubilarissen interviewde ik ook:  schrijvers. Meestal betrof het eenzelvige dichters die, wars van enig succes, stug bleven publiceren in eigen beheer.

En toen kwam Eriek Verpale.

Ik ontmoette hem voor het eerst in hotel Den IJzer, hier om de hoek. In de gelagzaal zat altijd een bonte mengeling van hotelgasten, buitenwippers, prostituées en passanten. Eriek was al gaan zitten bij het raam, onder de rose neonreclame van Pale Ale, toen ik zelf arriveerde. Op het tafeltje had hij de proefdruk van ,Alles in het klein’ voor me klaar gelegd, met het oog op een interview dat ik later die week van hem zou afnemen. Het zegt iets over zijn plaats in de pikorde van de Vlaamse literatuur: de literaire supplementen van de nationale kranten waren toen niet meer in hem geïnteresseerd.

Bij die eerste ontmoeting toonde Eriek zich zoals iedereen hem kent: innemend, onzeker, overrompelend hulpeloos. Alleen zijn paardenstaart en die valse diamant in zijn linker oor – twee kenschetsende attributen van artistieke pottenbakkers uit de jaren ’70 – leken me verdacht.

Hoe dan ook, ik mocht hem meteen. Hij deed me zelfs een beetje denken aan de Nederlandse reisschrijver Bob den Uyl, een van mijn helden. Verwachtingsvol keerde ik met de proef huiswaarts. De rest is literatuurgeschiedenis. ‘Alles in het klein’ bleek een komeet, zoals er maar eens in de zoveel jaren één de Vlaamse letteren komt binnen gesuisd.

Na het interview heb ik Eriek nog een aantal keren ontmoet op literaire avonden van ,de Walry’, een boekhandel die veel voor Eriek betekend heeft. En ook enkele keren bij hem thuis in Zelzate, Kasteellaan nummer 37.

Het was altijd afwachten of  Eriek thuis zou zijn en, indien zulks het geval was, ook nog zin zou hebben om open te doen. De deurbel had hij zelf gesaboteerd omdat het gerinkel hem paniekerig maakte. Ingewijden wisten dat ze langs de zijkant achterom moesten lopen en aankloppen op de keukendeur. Maar ook daar liet Eriek zich zelden zien. Hij zat ergens verscholen in de donkerte van zijn met duizenden boeken volgestouwde huis, roerloos, soms letterlijk de adem inhoudend, wachtend tot de bezoeker weer vertrokken was. Dat laatste weet ik omdat hij het me zelf ooit vertelde. Hij vergeleek zich toen met Gustave Flaubert, de kluizenaar van Rouen die zich op zijn beurt vergeleek met een solitaire beer die zijn hol niet uitkomt.

Wat er in Erieks hoofd voer, valt niet meer te achterhalen, maar een vijftal keer was het mij dus toch vergund een lange middag met hem door te brengen, sigaretten rollend van het destijds populaire merk Drum, koffie drinkend.

De gesprekken gingen bijna altijd over boeken. Waarover anders? Eriek was volledig verliteratuurd. Hij leefde in, voor en door zijn boeken. De literatuur was het dak waaronder hij woonde, ze was zijn  schild tegen de buitenwereld, ze was zijn medicijn tegen het valse, brute, onechte bestaan dat begon voorbij de rand van zijn schrijfpapier.

In de dédicace die hij schreef in mijn exemplaar van ‘Olivetti 82’ noemt hij zijn leven ‘een schrijfmachineleven’. Het zou de titel van zijn biografie kunnen zijn. In ‘Alles in het Klein’ noteert hij: ,Verpalle! (Uitroepingsteken) De wijven liggen te wachten, man, en jij zit je daar weer af te rukken boven één van je woordenboeken’. Die zin vat het samen. Eriek leed aan vele dwangneurosen. En literatuur was de ergste van allemaal. Ze was tegelijk zijn redding en zijn sterfput.

Tijdens onze gesprekken toonde Eriek zich een gedreven  advocaat van de Russische en jiddische literatuur. In zijn keuken hoorde ik voor het eerst de namen Isaac Bashevis Singer en Isaak Babel. Soms ging hij me voor naar de verduisterde kamer aan de straatkant waar een voortreffelijke collectie klassieke muziek stond. Uit het hoofd herinner ik me platen van Kurt Weill, Hanns Eisler, vioolmuziek van Ithzak Perlman en veel joodse bruiloftmuziek. Vandaag vraag ik me af: was Eriek te redden geweest, mocht hij een groot muzikaal talent in plaats van een literair talent gehad hebben?

Eén enkele keer hadden we op een winteravond afgesproken in een café. Niet bij moeder Zulma, maar in het meer ‘moderne’ café Napoleon in het centrum van Zelzate. Ik had me verheugd op de kennismaking met enkele van Erieks musen die hij, in verhalen en brieven, zo indrukwekkend beschreven had. Maar er was helemaal niemand in het café.

Na het korte bezoek gingen we nog even uitwaaien naast de brug van Zelzate. Het kanaal was een zwart tochtgat, sinds de altijd brandende vlam uit de schoorsteen van Texaco gedoofd was na de sluiting van de petrochemie. Als romanticus betreurde Eriek het verdwijnen van de vlam ten zeerste. Hij zag er een veeg teken in dat Zelzate en met uitbreiding de hele wereld spoedig naar de verdommenis zou gaan, zo zulks al niet het geval was.

Ik vroeg hem of hij het nummer ‘There is a light that never goes out’ van The Smiths kende, een hymne van verlangen en weemoed die me voor de Texaco-vlam geschreven leek. Vreemd genoeg had hij nog nooit van The Smiths gehoord. Ik stelde hem voor eens een Smiths-cassette te compileren, maar daarvan wilde hij niet weten. Hij had voor zichzelf beslist dat de popmuziek van de jaren ’80 onmogelijk zijn ding kon zijn. Dat vond ik revelerend. Als de laatste waarachtige romanticus in de Vlaamse literatuur leefde Eriek in een zelf gebricoleerd verleden. Hij leefde niet in zijn tijd, maar fanatiek tegen zijn tijd. En ook dié manie had iets zelfdestructiefs. Evenzeer als zijn drankzucht.

Enkele jaren na het verschijnen van ‘Alles in het klein’ ging op de redactie van De Gentenaar het gerucht dat Eriek veel zogenaamd ‘uit het leven gegrepen’ verhalen verzonnen had. Plaatselijke correspondenten uit de Kanaalzone en Zelzate wisten dat Erieks ‘joodse achtergrond’ gefantaseerde lulkoek was. De grootmoeder uit Vilnius, die hem zogenaamd jiddisch leerde spreken en schrijven, was een goedmoedig mens uit Wachtebeke die in haar hele leven geen jood van dichtbij gezien had.

Ik heb als journalist toen nooit iets met die onthulling gedaan. Ik was bang dat een ontmaskering zijn dood in de literatuurwereld zou zijn, meer nog, zijn dood tout court.

Ik begon toen wél met meer argwaan en zelfs meewarigheid naar Eriek te kijken. In ons interview had hij zonder verpinken uitgeweid over zijn joodse roots. Hoe kon een schrijver die van authenticiteit zijn fonds de commerce gemaakt had dit allemaal verzinnen? Koketteren met joods bloed was onverdraaglijk in het kwadraat omdat je jezelf bekleedt met een interessant slachtofferschap. Ik kon er mijn  gekrulde tenen van opvreten.

Ik ben Eriek pas drie jaar geleden beter gaan begrijpen tijdens een verblijf in Warschau voor mijn boek ‘Tranzyt Antwerpia’. Op een avond ondernam ik een kleine pelgrimage naar de Krochmalnastraat, onsterfelijk geworden  door de boeken van Isaac Bashevis Singer, onder meer zijn jeugdmémoires ,Het hof van mijn vader’.  Niemand beschreef ooit met zo veel vertellust en wellust de biotoop van joodse scharrelaars, predikanten, magiërs, fantasten, toneelspelers, schlemielen en wijzen.

Een Wereldoorlog en bijna een halve eeuw communisme hadden de Krochmalnastraat volledig weggeveegd. Wat overbleef was een schimmenrijk, beschreven in een nagenoeg dode taal: het jiddisch,  dat eigenlijk veel meer is dan een taal. Het is ook een geestesgesteldheid, een cultuur, een continent.

Het is exact aan die uitgewiste jiddische wereld dat Eriek zichzelf als personage heeft toegevoegd. En daardoor bestaat die wereld, althans in drukletters, nog even verder. Ook hier vanavond in dit theater.  Ik vermoed dat Isaac Bashevis Singer voor deze dienst Eriek best wel een Duvel wil uitschenken, hierboven.

Ik sprak Eriek een laatste keer, tien jaar geleden, tijdens een toevallige ontmoeting op de trein van Gent naar Antwerpen. Hij droeg een gitzwart pak, een wit hemd en een hoed. Hij, de eeuwige jongen, leek me ineens ontzettend oud.  Zijn paardenstaart was uitgedund tot een vlassige koord die als een verstorven elastiek over zijn hemdskraag hing. Hij was, zo vertelde hij,  op weg naar een belangrijke bijeenkomst van joden in de Antwerpse stationsbuurt. Voor het eerst was ons gesprek ongemakkelijk. Er vielen lange stiltes. En ik was blij toen de trein het station van Antwerpen binnenreed.

Als fabulist was Eriek gaan samenvallen met zijn eigen verzonnen alter ego, zoals Gainsbourg aan zijn levenseinde ook echt Gainsbarre geworden was. Een acteur in zijn eigen leven.

Maar ‘fake’ is Eriek nooit geweest. Hij heeft altijd beseft, ook in zijn gloriedagen na ‘Alles in het klein’, dat hij een bijzonder zware prijs zou betalen voor zijn schrijverschap. Namelijk, een ouderdom in armoede en eenzaamheid. Wie het niét menens is, zou die prijs nooit willen betalen. Ik acht Eriek daar zeer voor.

Ik hoor en lees nu – bij mensen die hem beter gekend hebben – dat er ‘veel meer’ in Eriek zat, dat hij niet alleen zichzelf, maar ook zijn schrijverschap vergooid zou hebben. Dan vraag ik me af: wanneer is een leven wél genoeg zodat het verdient geleefd geweest te zijn? Is twee onmiskenbare meesterwerken schrijven – ‘Alles in het klein’ en ‘Olivetti’ – geen voldoende rechtvaardiging? Veel Vlaamse auteurs, niet zelden met de marketingpomp opgeblazen halftalenten, zullen het met minder moeten doen.

Eriek was een grote schrijver. Het ritme, de loop, de klank, de patine van zijn zinnen: het was allemaal zo achteloos, zo superieur vanzelfsprekend. Als vloeiend water. De Nederlandse schrijver FB Hotz schreef in zijn verhalenbundel ,De vertegenwoordigers’: , Er is een soort magie die aan een gewoon woord in een kalme zin wurgkracht kan geven.’

Eriek was één van de weinigen die dié tovenarij beheerste.

Tot slot dank ik uitgeverij de Arbeiderspers om ‘Alles in het klein’ weer uit geven. En ik hoop vurig op een Privé Domein-deel met zijn beste brieven. Een postume meesterproef die zelfs ‘Alles in het klein’ in de schaduw dreigt te stellen.

En ik dank u allen hier zo talrijk aanwezig.

Laten we het bijzondere leven en werk van Eriek vieren door hem te blijven lezen.

Pascal Verbeken

Foto: Michiel Hendryckx

 

 

Advertenties